Diagnostiek NHA
Wanneer er een vermoeden bestaat van Niet-Aangeboren Hersenletsel (NAH), is een zorgvuldig onderzoek belangrijk om de oorzaak van de klachten vast te stellen. Een snelle diagnose kan bijdragen aan een tijdige behandeling, het beperken van verdere schade en het opstarten van passende begeleiding of revalidatie.
De diagnostiek bestaat meestal uit een combinatie van gesprekken, lichamelijk onderzoek, neurologisch onderzoek, beeldvormend onderzoek en, indien nodig, aanvullend cognitief of neuropsychologisch onderzoek.
Neurologisch onderzoek
Een neuroloog beoordeelt tijdens een neurologisch onderzoek hoe het zenuwstelsel en de hersenen functioneren.
Er wordt onder andere gekeken naar:
- Bewustzijn;
- Spraak;
- Geheugen;
- Spierkracht;
- Gevoel;
- Reflexen;
- Coördinatie;
- Evenwicht;
- Oogbewegingen;
- Looppatroon.
Ook wordt gevraagd wanneer de klachten zijn ontstaan, hoe deze zich ontwikkelen en of er sprake is geweest van een ongeval, beroerte of andere medische gebeurtenis.
Het neurologisch onderzoek vormt vaak de eerste stap in het vaststellen van de oorzaak van de klachten.
CT-scan
Een CT-scan (Computertomografie) maakt met behulp van röntgenstraling gedetailleerde dwarsdoorsneden van de hersenen.
Een CT-scan wordt vooral gebruikt in de acute fase, bijvoorbeeld bij een vermoeden van:
- Een hersenbloeding;
- Een beroerte (CVA);
- Een schedelbreuk;
- Ernstig traumatisch hersenletsel.
Het voordeel van een CT-scan is dat deze snel kan worden uitgevoerd. Hierdoor kan een arts bij spoedsituaties snel bepalen welke behandeling noodzakelijk is.
Kleine beschadigingen of subtiele veranderingen in het hersenweefsel zijn echter niet altijd zichtbaar op een CT-scan.
MRI-scan
Een MRI-scan (Magnetic Resonance Imaging) maakt met behulp van een sterk magneetveld en radiogolven zeer gedetailleerde afbeeldingen van de hersenen.
Een MRI kan onder andere afwijkingen zichtbaar maken zoals:
- Kleine herseninfarcten;
- Beschadigingen van hersenweefsel;
- Tumoren;
- Ontstekingen;
- Littekenvorming;
- Afwijkingen van de hersenstructuur.
Een MRI geeft doorgaans meer details dan een CT-scan en wordt daarom vaak gebruikt wanneer meer informatie nodig is over de aard of omvang van het hersenletsel.
Het is belangrijk om te weten dat niet alle klachten van NAH zichtbaar zijn op een MRI. Iemand kan duidelijke cognitieve of emotionele beperkingen hebben, terwijl de scan weinig of geen afwijkingen laat zien. Daarom wordt een MRI altijd beoordeeld in combinatie met de klachten en andere onderzoeken.
Cognitief onderzoek
Wanneer iemand problemen ervaart met het geheugen, de concentratie of het denken, kan een cognitief onderzoek worden uitgevoerd.
Tijdens dit onderzoek wordt gekeken naar verschillende cognitieve functies, zoals:
- Geheugen;
- Aandacht;
- Concentratie;
- Taal;
- Informatieverwerking;
- Plannen en organiseren;
- Probleemoplossend vermogen.
Soms worden hiervoor korte screeningsinstrumenten gebruikt, zoals de Montreal Cognitive Assessment (MoCA) of de Mini-Mental State Examination (MMSE). Deze testen geven een eerste indruk van het cognitief functioneren, maar zijn niet voldoende om alle cognitieve gevolgen van NAH volledig in kaart te brengen.
Neuropsychologisch onderzoek Wanneer meer inzicht nodig is in de cognitieve gevolgen van NAH, kan een neuropsychologisch onderzoek (NPO) worden uitgevoerd door een neuropsycholoog. Een neuropsychologisch onderzoek bestaat uit verschillende gestandaardiseerde testen waarmee uitgebreid wordt onderzocht hoe de hersenen functioneren.
Er wordt onder andere gekeken naar:
- Geheugen;
- Aandacht;
- Concentratie;
- Intelligentie;
- Taal;
- Informatieverwerking;
- Executieve functies, zoals plannen, organiseren en probleemoplossend denken;
- Emotieregulatie;
- Ziekte-inzicht.
De resultaten geven een duidelijk beeld van de sterke en zwakke kanten van het cognitief functioneren. Op basis hiervan kunnen behandelaren, revalidatieteams en zorgprofessionals beter afstemmen welke begeleiding, behandeling of ondersteuning nodig is.
Diagnostiek is meer dan een scan
Het vaststellen van Niet-Aangeboren Hersenletsel gebeurt nooit op basis van één enkel onderzoek. De diagnose wordt gesteld door alle beschikbare informatie met elkaar te combineren.
Artsen kijken daarbij onder andere naar:
- De medische voorgeschiedenis;
- Het ontstaan van de klachten;
- Het neurologisch onderzoek;
- Beeldvormend onderzoek;
- Cognitieve testen;
- Observaties van zorgverleners;
- Ervaringen van de cliënt en diens naasten.
Ook informatie van partners of familieleden is vaak waardevol. Zij merken veranderingen in gedrag, geheugen of persoonlijkheid regelmatig eerder op dan de persoon met NAH zelf.
Wat betekent dit voor de zorg in de praktijk?
Voor zorgprofessionals is het belangrijk om te weten dat niet alle gevolgen van NAH zichtbaar zijn op een CT-scan of MRI. Iemand kan duidelijke beperkingen ervaren, terwijl beeldvormend onderzoek weinig afwijkingen laat zien. Daarom is het essentieel om niet alleen naar onderzoek uitslagen te kijken, maar ook naar het dagelijks functioneren van de cliënt.
Verzorgenden, verpleegkundigen en andere zorgverleners spelen een belangrijke rol bij het observeren van veranderingen in gedrag, geheugen, communicatie, mobiliteit en zelfredzaamheid. Deze observaties kunnen belangrijke informatie opleveren voor artsen en behandelaren en bijdragen aan een passende behandeling en begeleiding.
Een goede diagnostiek vormt de basis voor persoonsgerichte zorg en helpt om de gevolgen van Niet-Aangeboren Hersenletsel zo goed mogelijk te begrijpen en te behandelen.