Welkom 
 

                                                                                                                                      Diabetes Mellitus type 1 en type 2

Diabetes Mellitus wordt ook wel suikerziekte genoemd. Bij diabetes blijft er te veel suiker in het bloed zitten. Suiker is brandstof voor het lichaam. Het komt uit eten en drinken en gaat via het bloed naar de lichaamscellen. Om die suiker goed in de cellen te krijgen, heeft het lichaam insuline nodig.
Insuline wordt gemaakt in de alvleesklier. Dat is een orgaan in de buik. Als er te weinig insuline is, of als het lichaam niet goed reageert op insuline, blijft er te veel suiker in het bloed. Daardoor kan iemand zich moe, dorstig, slap of ziek voelen. Op de lange termijn kan diabetes schade geven aan de ogen, nieren, voeten, zenuwen, hart en bloedvaten.

Diabetes type 1
Bij diabetes type 1 maakt het lichaam zelf geen of bijna geen insuline meer aan. Dit komt doordat het eigen afweersysteem de cellen aanvalt die insuline maken. Iemand met diabetes type 1 heeft daarom altijd insuline nodig. Dit kan via een insulinepen of via een insulinepomp.
Diabetes type 1 ontstaat vaak vrij plotseling. Klachten kunnen zijn: veel dorst, vaak plassen, afvallen, moeheid, wazig zien, misselijkheid of buikpijn. Zonder insuline kan iemand ernstig ziek worden.

Diabetes type 2
Bij diabetes type 2 maakt het lichaam vaak nog wel insuline aan, maar het lichaam reageert er minder goed op. Daardoor blijft de bloedsuiker te hoog. Later kan de alvleesklier ook minder insuline gaan maken.
Diabetes type 2 ontstaat meestal geleidelijk. Mensen merken het soms pas laat. Klachten kunnen zijn: moeheid, veel dorst, vaak plassen, slecht genezende wondjes, jeuk, wazig zien of terugkerende infecties. De behandeling bestaat vaak uit gezonder eten, meer bewegen, afvallen als dat nodig is, medicijnen en soms insuline.

Wat gebeurt er in het lichaam?
Bij diabetes raakt de balans tussen eten, bewegen, insuline en bloedsuiker verstoord. Eten en drinken kunnen de bloedsuiker laten stijgen. Bewegen kan de bloedsuiker laten dalen. Medicijnen en insuline helpen om de bloedsuiker beter onder controle te krijgen.
Als de bloedsuiker vaak te hoog is, kunnen kleine en grote bloedvaten beschadigd raken. Daardoor kunnen op langere termijn problemen ontstaan aan de ogen, nieren, voeten, zenuwen, hart en bloedvaten. Goede controle is daarom belangrijk, ook als iemand zich op dat moment niet ziek voelt.
Wat betekent diabetes voor de patiënt?
Diabetes vraagt dagelijks aandacht. De patiënt moet vaak rekening houden met eten, drinken, beweging, stress, ziekte, medicatie en rust. Een gewone dag kan daardoor meer planning vragen dan bij iemand zonder diabetes.

Voor sommige mensen voelt diabetes als een voortdurende verantwoordelijkheid. Ze moeten nadenken over wat ze eten, wanneer ze bewegen, of ze hun medicatie bij zich hebben, of hun bloedsuiker goed blijft en wat ze moeten doen bij een te lage of te hoge bloedsuiker.
Diabetes kan ook mentaal zwaar zijn. Iemand kan bang zijn voor een hypo, onzeker worden bij wisselende waarden of moe worden van het steeds moeten opletten. Goede uitleg, steun en vaste afspraken helpen om meer rust en veiligheid te krijgen.

Wat betekent diabetes voor naasten?
Diabetes heeft niet alleen invloed op de patiënt, maar ook op de mensen eromheen. Partners, kinderen, ouders, familieleden en zorgverleners kunnen zich zorgen maken. Zij kunnen bang zijn dat iemand een hypo krijgt, ziek wordt of zichzelf overschat.
Naasten kunnen helpen door signalen te herkennen, rustig te blijven en te weten wat ze moeten doen bij een lage of hoge bloedsuiker. Tegelijk is het belangrijk dat de patiënt zoveel mogelijk eigen regie houdt. Helpen is goed, maar overnemen of controleren kan spanning geven.
Goede afspraken zijn belangrijk. Bijvoorbeeld: wanneer moet iemand helpen, waar ligt druivensuiker, wie belt de arts, waar ligt de medicatielijst en wat moet er gebeuren tijdens een dagje weg?

Bloedsuiker controleren
De bloedsuiker kan op verschillende manieren gecontroleerd worden.
De bekendste manier is meten met een bloedglucosemeter. Hierbij prikt iemand in de vinger en wordt een druppel bloed op een teststrip gedaan. De meter geeft daarna de bloedsuikerwaarde aan.
Er zijn ook glucosesensoren. Een sensor zit op de huid en meet regelmatig de suikerwaarde in het lichaam. De waarde is te zien op een telefoon, reader of soms op een insulinepomp. Sommige sensoren geven ook een waarschuwing als de waarde te laag of te hoog wordt.
Bij sommige mensen wordt een sensor gecombineerd met een insulinepomp. Een insulinepomp geeft kleine hoeveelheden insuline af. Bij moderne systemen kunnen sensor en pomp samenwerken. Dit helpt om de bloedsuiker stabieler te houden, maar de patiënt moet nog steeds blijven opletten.
Bloedsuikerwaarden kunnen worden bijgehouden in een schrift, app, meter, sensoroverzicht of digitaal zorgdossier. Belangrijk is dat niet alleen de waarde wordt genoteerd, maar ook wat er gebeurde: eten, beweging, stress, ziekte, medicatie, hypo, hyper of bijzonderheden.  Thuis, in het verpleeghuis, ziekenhuis of tijdens een dagje weg

Thuis is het belangrijk dat diabetesmateriaal op een vaste plek ligt. Denk aan meter, strips, lancetten, sensorbenodigdheden, insuline, naalden, medicatie, druivensuiker en eventueel glucagon als dit is voorgeschreven.

In een verpleeghuis hoort diabeteszorg duidelijk in het zorgplan te staan. Zorgmedewerkers moeten weten wanneer er gemeten wordt, wanneer medicatie of insuline gegeven wordt, welke signalen belangrijk zijn en wanneer een arts gebeld moet worden. Ook voeding, wondzorg, voet controle en beweging horen daarbij.

In het ziekenhuis kan de bloedsuiker ontregelen door ziekte, operatie, pijn, stress, minder eten of andere medicijnen. Daarom wordt de bloedsuiker daar vaak extra gecontroleerd. Soms wordt de behandeling tijdelijk aangepast.

Tijdens een dagje weg is voorbereiding belangrijk. Neem altijd voldoende diabetesmateriaal mee. Denk aan een glucosemeter of sensorreader, reservebatterij of oplader, teststrips, insuline, naalden, medicatie, druivensuiker, iets te eten, drinken, medicatieoverzicht en eventueel een diabetespas. Bij warm weer moet insuline beschermd worden tegen hitte. Bij lange uitstapjes is het verstandig om extra eten en drinken mee te nemen.

Lage bloedsuiker: hypo
Een hypo betekent dat de bloedsuiker te laag is. Dit kan gebeuren door te weinig eten, te veel insuline of medicatie, meer beweging dan normaal, alcohol of ziekte.
Klachten kunnen zijn: trillen, zweten, honger, duizeligheid, hartkloppingen, hoofdpijn, bleek zien, gapen, wazig zien, prikkelbaarheid, verwardheid of sufheid. Bij een ernstige hypo kan iemand flauwvallen of bewusteloos raken.
Bij een hypo is meestal snelwerkende suiker nodig, zoals druivensuiker of een suikerhoudend drankje. Daarna moet iemand vaak opnieuw controleren en soms nog iets eten. Volg hierbij altijd het persoonlijke diabetesplan van de arts of diabetesverpleegkundige.

Hoge bloedsuiker: hyper
Een hyper betekent dat de bloedsuiker te hoog is. Dit kan gebeuren door te veel eten, te weinig insuline of medicatie, ziekte, stress, ontsteking, te weinig beweging of een probleem met de insulinepomp.
Klachten kunnen zijn: dorst, veel plassen, droge mond, moeheid, slaperigheid, wazig zien, misselijkheid, buikpijn of afvallen. Soms merkt iemand weinig, terwijl de waarde toch te hoog is.

Bij diabetes type 1 kan een langdurig hoge bloedsuiker gevaarlijk worden, vooral bij ziekte, braken of te weinig insuline. Dan kunnen ketonen ontstaan. Dat betekent dat het lichaam verzuurt. Dit is een spoedsituatie. Neem bij braken, sufheid, snelle ademhaling, aanhoudend hoge waarden of twijfel contact op met het behandelteam, de huisartsenpost of 112.

Waar moet iemand met diabetes rekening mee houden?
Iemand met diabetes moet rekening houden met regelmaat, voeding, beweging, medicatie, ziekte, stress, slaap en alcohol. Geen enkele dag is precies hetzelfde. Daardoor kunnen bloedsuikerwaarden wisselen.
Ook autorijden vraagt aandacht. Bij een te lage bloedsuiker kan iemand minder goed reageren. Meet daarom volgens de gemaakte afspraken en ga niet rijden als de bloedsuiker te laag is of als iemand een hypo voelt aankomen.

Bij sporten, wandelen, zwemmen of zwaar werk kan de bloedsuiker dalen. Bij ziekte, koorts, pijn of stress kan de bloedsuiker juist stijgen. Daarom zijn duidelijke afspraken met het behandelteam belangrijk.
Bijverschijnselen, klachten en mogelijke gevolgen

Diabetes zelf kan klachten geven zoals dorst, veel plassen, moeheid, wazig zien, gewichtsverlies, jeuk, wondjes die slecht genezen en terugkerende infecties.
Medicijnen kunnen ook bijwerkingen geven. Welke bijwerkingen iemand krijgt, hangt af van het medicijn. Insuline en sommige tabletten kunnen een hypo veroorzaken. Andere medicijnen kunnen bijvoorbeeld maag- of darmklachten geven. Bespreek klachten altijd met de arts, diabetesverpleegkundige of apotheker.
Als diabetes langere tijd niet goed onder controle is, kunnen complicaties ontstaan. Denk aan schade aan de ogen, nieren, voeten, zenuwen, hart en bloedvaten. Daarom zijn controles belangrijk, ook als iemand weinig klachten heeft.

Contra-indicaties en wanneer extra opletten
Diabetes zelf heeft geen contra-indicatie zoals een medicijn dat heeft. De contra-indicaties horen vooral bij de behandeling, zoals bepaalde medicijnen, insulinegebruik of medische handelingen. Wat wel of niet veilig is, verschilt per persoon.

Extra opletten is nodig bij ziekte, koorts, braken, operaties, zwangerschap, nierproblemen, leverproblemen, kwetsbare ouderen, weinig eten, alcoholgebruik, sporten, autorijden en gebruik van andere medicijnen. Stop nooit zomaar met insuline of diabetesmedicatie zonder overleg met een arts.
Bij diabetes type 1 is insuline levensnoodzakelijk. Het overslaan van insuline kan gevaarlijk zijn. Bij diabetes type 2 kan het aanpassen van medicatie soms nodig zijn, maar dit moet altijd in overleg met de behandelaar.


Samenvatting
Diabetes Mellitus is een ziekte waarbij de bloedsuiker te hoog wordt. Bij type 1 maakt het lichaam geen of bijna geen insuline meer aan. Bij type 2 reageert het lichaam minder goed op insuline en kan later ook te weinig insuline worden gemaakt.
Diabetes vraagt dagelijkse aandacht, maar met goede uitleg, passende behandeling, controle, technologie en steun kan iemand vaak een actief en waardevol leven leiden. Belangrijk is dat patiënt, naasten en zorgverleners weten wat ze moeten doen bij lage of hoge bloedsuiker en wanneer medische hulp nodig is.
Bronnen voor deze tekst: Diabetes Fonds, Thuisarts.nl, Diabetesvereniging Nederland, Diabetes.nl en CBR.