Welkom 
 

Meningeoom na bestraling in de kindertijd

Een meningeoom kan tientallen jaren na bestraling van het hoofd ontstaan. Dit wordt een straling geïnduceerd meningeoom genoemd. In de medische literatuur wordt hiervoor meestal de Engelse afkorting RIM gebruikt: radiation-induced meningioma.

Het gaat om een nieuwe tumor die ontstaat uit cellen van de hersenvliezen die tijdens de eerdere behandeling ioniserende straling hebben ontvangen. De oorspronkelijke bestraling kan op dat moment noodzakelijk zijn geweest om een levensbedreigende ziekte, zoals leukemie of een hersentumor, te behandelen. Pas veel later kan blijken dat een klein aantal gezonde cellen blijvende schade aan het erfelijk materiaal heeft opgelopen.

Een meningeoom na bestraling ontstaat meestal niet direct. 

Tussen de bestraling en het ontdekken van de tumor kunnen twintig, dertig, veertig of zelfs meer jaren liggen. 

Juist mensen die als kind zijn bestraald, kunnen daarom pas op volwassen leeftijd met dit late gevolg te maken krijgen.

Wat is een straling geïnduceerd meningeoom?
Een meningeoom ontstaat uit cellen van de hersenvliezen. Deze vliezen liggen rondom de hersenen en beschermen het hersenweefsel.
Bij een straling geïnduceerd meningeoom ligt de tumor meestal in of dicht bij het gebied dat vroeger is bestraald. 

Artsen kijken onder andere naar:

  • de plaats waar vroeger is bestraald;
  • de plaats waar het meningeoom is ontstaan;
  • de tijd tussen bestraling en het ontdekken van de tumor;
  • de oorspronkelijke ziekte waarvoor iemand is behandeld;
  • andere mogelijke oorzaken, zoals een erfelijke aanleg;
  • het microscopische en moleculaire beeld van de tumor.

Bij één individuele patiënt kan niet altijd met honderd procent zekerheid worden bewezen dat de vroegere bestraling de oorzaak is. Wanneer iemand als kind op het hoofd is bestraald en tientallen jaren later binnen dat bestralingsgebied een meningeoom krijgt, kan het verband echter sterk aannemelijk zijn.
Een straling geïnduceerd meningeoom is niet hetzelfde als een terugkeer of uitzaaiing van de oorspronkelijke kinderkanker. Het is een nieuwe en afzonderlijke tumor die uit andere cellen is ontstaan.

Waarom werd het hoofd van kinderen vroeger bestraald?
Vanaf de jaren zestig en zeventig werd hoofdbestraling een belangrijk onderdeel van de behandeling van bepaalde vormen van kinderkanker. 

Dit gold vooral voor acute lymfatische leukemie, meestal afgekort tot ALL.

Chemotherapie kon leukemiecellen in het bloed, beenmerg en andere delen van het lichaam bestrijden. 

Sommige medicijnen bereikten de hersenen en het hersenvocht echter onvoldoende.

 De hersenen werden daarom gezien als een plaats waar leukemiecellen zich konden verbergen.
Om terugkeer van leukemie in het centrale zenuwstelsel te voorkomen, werd bij veel kinderen preventieve hoofdbestraling toegepast. 

Dit werd profylactische craniale radiotherapie genoemd.

In historische behandelprotocollen werden vaak totale doses van ongeveer 18 tot 24 gray gebruikt. 

Welke dosis iemand precies heeft gekregen, hangt af van het jaar, het ziekenhuis, de leeftijd, het soort leukemie, het behandelprotocol en het eventuele voorkomen van leukemiecellen in het hersenvocht.
De bestraling heeft eraan bijgedragen dat meer kinderen leukemie overleefden. De kennis over mogelijke late gevolgen was toen echter veel beperkter. 

Veel van deze gevolgen konden ook nog niet volledig bekend zijn, omdat kinderen eerst tientallen jaren gevolgd moesten worden voordat zeer late complicaties zichtbaar werden.

Waarom zijn kinderen gevoeliger voor late gevolgen?
Het lichaam van een kind is nog in ontwikkeling. Veel cellen groeien en delen sneller dan bij volwassenen. Hierdoor kunnen gezonde weefsels gevoeliger zijn voor ioniserende straling.
Daarnaast heeft een kind na de behandeling normaal gesproken nog een lang leven voor zich. 

Beschadigde cellen krijgen daardoor tientallen jaren de tijd om extra veranderingen te verzamelen en uiteindelijk een tumor te vormen.

Het risico wordt onder andere beïnvloed door:

  • de leeftijd tijdens de bestraling;
  • de totale stralingsdosis;
  • de dosis die de betreffende plaats van het hersenvlies heeft ontvangen;
  • de grootte van het bestraalde gebied;
  • de gebruikte bestralingstechniek;
  • de tijd die sinds de behandeling is verstreken;
  • persoonlijke gevoeligheid voor DNA-schade;
  • eventuele erfelijke factoren.

Onderzoek bij overlevenden van kinderkanker laat een duidelijk verband zien tussen de ontvangen stralingsdosis en het latere risico op een meningeoom. 

In een grote internationale analyse was het risico hoger bij een grotere dosis en bij kinderen die vóór hun tiende levensjaar waren behandeld.

Hoe kan bestraling tientallen jaren later een meningeoom veroorzaken?
Bestraling is gericht op het beschadigen van tumorcellen. 

Tumorcellen moeten daardoor stoppen met delen of afsterven. De straling gaat echter door weefsel heen en kan ook gezonde cellen binnen of rondom het bestralingsveld bereiken.
Het ontstaan van een straling geïnduceerd meningeoom verloopt niet in één stap. Het is een proces dat zich over vele jaren kan uitstrekken.

Stap 1: de straling bereikt gezonde cellen
Bij uitwendige bestraling worden fotonen of andere stralingsdeeltjes op het te behandelen gebied gericht. Deze straling bevat voldoende energie om moleculen in cellen te ioniseren.
Daarbij kan de straling:

  • rechtstreeks het DNA raken;
  • watermoleculen in de cel beschadigen;
  • reactieve zuurstofdeeltjes, ook wel vrije radicalen genoemd, veroorzaken;
  • enkele of dubbele breuken in het DNA maken;
  • delen van chromosomen beschadigen of verplaatsen.

Dubbele DNA-breuken zijn belangrijk omdat beide strengen van het DNA daarbij zijn onderbroken. De cel moet deze schade herstellen om te kunnen overleven.

Stap 2: de meeste ernstig beschadigde cellen sterven
Een groot deel van de zwaar beschadigde cellen sterft af of stopt met delen. Dit is het gewenste effect bij kankercellen.
Gezonde cellen zijn meestal beter dan tumorcellen in staat om schade te herstellen. Toch lukt volledig en foutloos herstel niet altijd. Een gezonde cel kan de bestraling overleven terwijl een verandering in het DNA achterblijft.
De persoon blijft na uitwendige bestraling niet radioactief. Ook blijft de straling niet jarenlang in het hoofd aanwezig. Het late risico ontstaat door de blijvende biologische schade die tijdens de oorspronkelijke behandeling in bepaalde cellen kan zijn veroorzaakt.

Stap 3: een cel herstelt de DNA-schade verkeerd
Wanneer een dubbele DNA-breuk verkeerd wordt gerepareerd, kunnen delen van chromosomen:

  • verloren gaan;
  • omgedraaid worden;
  • aan een verkeerd chromosoom worden vastgemaakt;
  • in een andere volgorde komen te liggen;
  • worden verdubbeld;
  • een belangrijk remmend gen beschadigen.

Een van de genen die bij straling geïnduceerde meningeomen regelmatig betrokken is, is het NF2-gen op chromosoom 22. Dit gen helpt normaal bij het regelen van celgroei en celdeling.
Wanneer beide werkende kopieën van zo’n groei remmend gen uitvallen, kan een cel een deel van zijn normale controle over de celdeling verliezen. 

Onderzoek naar straling geïnduceerde meningeomen laat relatief veel structurele veranderingen in chromosomen en beschadiging van NF2 zien.
Dit betekent niet dat één NF2-verandering automatisch een tumor veroorzaakt. Meestal zijn meerdere biologische veranderingen nodig.

Stap 4: de beschadigde cel blijft jarenlang aanwezig
Een hersenvlies cel met DNA-schade kan lange tijd in het lichaam aanwezig blijven zonder dat er een zichtbare tumor ontstaat.
De cel kan:

  • normaal lijken te functioneren;
  • zich slechts af en toe delen;
  • door het afweersysteem onder controle worden gehouden;
  • nog onvoldoende afwijkingen hebben om onbeperkt te groeien.

Daarom kan er tientallen jaren niets op een scan zichtbaar zijn.

Stap 5: er ontstaan aanvullende veranderingen
Bij iedere celdeling moet het DNA worden gekopieerd. Daarbij kunnen nieuwe fouten ontstaan. Ook veroudering, hormonale invloeden, ontstekingsprocessen, veranderingen in het omliggende weefsel en persoonlijke gevoeligheid kunnen bijdragen aan verdere cel verandering.
De oorspronkelijke stralingsschade kan de eerste aanzet hebben gegeven. Daarna kunnen aanvullende genetische en epi genetische veranderingen ontstaan.
Epi genetische veranderingen veranderen niet rechtstreeks de letters van het DNA, maar wel welke genen aan- of uitgezet worden. Hierdoor kan een cel zich anders gaan gedragen.

Stap 6: één afwijkende cel krijgt een groeivoordeel
Wanneer een cel voldoende controlemechanismen heeft verloren, kan deze zich gemakkelijker delen dan omliggende cellen.
Uit die ene cel ontstaat een groep cellen met grotendeels dezelfde afwijkingen. Dit wordt een kloon genoemd.
De cel groep kan aanvankelijk zeer klein blijven. Pas wanneer de cellen sneller gaan delen dan ze verdwijnen, ontstaat geleidelijk een meningeoom.

Stap 7: het meningeoom wordt zichtbaar
Een meningeoom kan jarenlang groeien voordat het klachten veroorzaakt. De tumor kan toevallig op een MRI-scan worden ontdekt of pas worden gevonden nadat klachten zijn ontstaan.
Mogelijke klachten zijn:

  • hoofdpijn die verandert of toeneemt;
  • epileptische aanvallen;
  • krachtsverlies;
  • problemen met zien of horen;
  • evenwichtsproblemen;
  • veranderingen in gedrag;
  • moeite met concentreren;
  • geheugenproblemen;
  • trager denken;
  • taalproblemen.

De klachten worden vooral bepaald door de plaats van de tumor en de druk op omliggende hersengebieden, zenuwen of bloedvaten.

Hoe lang duurt het voordat een meningeoom ontstaat?
Een meningeoom na hoofdbestraling kan na een zeer lange latentietijd ontstaan. Met latentietijd wordt de periode bedoeld tussen de bestraling en het vaststellen van de nieuwe tumor.
Vaak gaat het om tientallen jaren. In onderzoeken worden perioden van ongeveer tien tot meer dan vijftig jaar beschreven. 

Het risico houdt dus niet op zodra iemand vijf of tien jaar na kinderkanker genezen is verklaard.

Een Nederlandse DCOG-LATER-studie onderzocht mensen die in hun jeugd kanker hadden gehad. Binnen de groep die craniale radiotherapie had ontvangen, had ongeveer één op de acht overlevenden tegen de leeftijd van veertig jaar een meningeoom ontwikkeld. Dit cijfer geldt voor de onderzochte groep met historische behandelingen en mag niet worden toegepast op iedereen die ooit ergens is bestraald.

Op algemene patiënten websites wordt voor alle soorten bestraling samen een veel lager risico op een tweede tumor genoemd. Dat is geen echte tegenspraak. Het gemiddelde risico van alle bestraalde patiënten is niet hetzelfde als het risico binnen een specifieke groep die op jonge leeftijd een aanzienlijke dosis op het hoofd heeft ontvangen.

Het verschil tussen bestraling rond 1980 en bestraling nu
Bestraling in 1980 was niet zinloos of ondeskundig. Artsen werkten met de beste kennis en technieken die toen beschikbaar waren. 

De behandeling was vaak noodzakelijk om overlijden aan de oorspronkelijke kanker te voorkomen.
De mogelijkheden om het bestralingsgebied exact af te grenzen en gezonde weefsels te sparen waren echter beperkter dan tegenwoordig.

Bestraling rond 1980
Rond 1980 werd een bestralingsplan vaak grotendeels tweedimensionaal gemaakt. Artsen gebruikten röntgenbeelden, uitwendige herkenningspunten en kennis van de anatomie om het bestralingsveld te bepalen.

Kenmerkend voor deze periode waren:

  • relatief grote en rechte bestralingsvelden;
  • ruimere veiligheidsmarges rondom het doelgebied;
  • beperktere mogelijkheden om de vorm van de stralingsbundel precies aan te passen;
  • minder nauwkeurige driedimensionale berekening van de dosis in afzonderlijke organen;
  • weinig of geen dagelijkse driedimensionale beeld controle;
  • minder mogelijkheden om MRI-beelden in het bestralingsplan te verwerken;
  • bij sommige ziekten bestraling van een groot deel of het gehele hoofd;
  • minder kennis over gevolgen die pas dertig of veertig jaar later ontstaan.

Afhankelijk van het ziekenhuis werd gebruikgemaakt van kobalt apparatuur of lineaire versnellers. Het belangrijkste verschil met tegenwoordig zat niet alleen in het apparaat, maar vooral in de beeldvorming, computerberekeningen, veldafbakening, controle en kennis over lang termijn risico’s.
De invoering van CT-scans in de radiotherapie maakte vanaf de jaren tachtig en negentig steeds betere driedimensionale behandelplanning mogelijk.

Hoofdbestraling bij leukemie rond 1980
Bij acute lymfatische leukemie werd vroeger veel vaker preventieve bestraling van de hersenen toegepast. 

Het doel was leukemiecellen te vernietigen die mogelijk in de hersenvliezen of het hersenvocht aanwezig waren.
Omdat het gehele risicogebied behandeld moest worden, konden grote delen van het hoofd een dosis ontvangen. 

Niet alleen eventuele leukemiecellen, maar ook gezonde hersenen, bloedvaten, hersenvliezen, oogstructuren en de hypofyse konden binnen het bestralingsveld liggen.

Later werd duidelijk dat hoofdbestraling onder andere verband kan houden met:

  • cognitieve problemen;
  • problemen met aandacht en informatieverwerking;
  • hormonale stoornissen;
  • vaatproblemen;
  • groeiproblemen;
  • een verhoogd risico op een tweede hersentumor, waaronder een meningeoom.

Deze kennis heeft bijgedragen aan grote veranderingen in behandelprotocollen.

Bestraling tegenwoordig
Moderne radiotherapie wordt meestal gepland met een CT-scan. MRI- en soms andere beeldvorming kunnen aan het behandelplan worden toegevoegd.
De radiotherapeut en klinisch fysicus kunnen tegenwoordig nauwkeuriger berekenen:

  • waar de tumor of het risicogebied ligt;
  • welke dosis ieder deel van het doelgebied ontvangt;
  • welke dosis gezonde organen ontvangen;
  • vanuit welke richtingen bestraald moet worden;
  • welke stralingsvelden het omliggende weefsel het beste sparen.


Moderne mogelijkheden zijn onder andere:


  • Driedimensionale radiotherapie

Bij driedimensionale radiotherapie wordt het doelgebied op opeenvolgende CT-beelden ingetekend. De bundels kunnen beter aan de vorm van het doelgebied worden aangepast.
IMRT en VMAT
Bij intensiteit gemoduleerde radiotherapie, of IMRT, kan de sterkte van de straling binnen iedere bundel worden aangepast. VMAT is een techniek waarbij het bestralingstoestel tijdens de bestraling rondom de patiënt beweegt en de vorm en intensiteit van de bundel voortdurend verandert.
Hierdoor kan een hoge dosis nauwkeuriger in het doelgebied worden geconcentreerd, terwijl bepaalde gezonde structuren zo veel mogelijk worden ontzien.

  • Beeld gestuurde radiotherapie

Bij image-guided radiotherapy, of IGRT, worden vlak voor of tijdens de behandeling beelden gemaakt. Daarmee wordt gecontroleerd of de patiënt en het doelgebied precies goed liggen.

  • Nauwkeurige immobilisatie

Bij bestraling van het hoofd wordt een individueel masker gebruikt. Dit verkleint bewegingen en helpt om de bestraling iedere keer op dezelfde plaats te geven.

  • Protonentherapie

Bij geselecteerde kinderen kan protonentherapie worden gebruikt. Protonen geven hun energie anders af dan gewone fotonen. Daardoor kan bij bepaalde tumoren minder stralingsdosis achter het doelgebied terechtkomen.
Protonentherapie is niet bij iedere tumor automatisch beter. Specialisten vergelijken behandelplannen en beoordelen welke techniek in de persoonlijke situatie de laagste verwachte belasting van gezond weefsel geeft. Het Prinses Máxima Centrum vermeldt dat fotonen en protonen beide effectief kunnen zijn, maar dat protonen bij bepaalde kinderen minder late gevolgen kunnen geven.

Bij leukemie wordt hoofdbestraling nu meestal vermeden
Bij de meeste kinderen met ALL wordt preventieve hoofdbestraling tegenwoordig niet meer standaard toegepast.
De bescherming van het centrale zenuwstelsel gebeurt nu vooral met:

  • chemotherapie via een ruggenprik;
  • medicijnen die het hersenvocht beter bereiken;
  • intensievere en risico gestuurde systemische chemotherapie;
  • behandeling die wordt aangepast aan biologische kenmerken van de leukemie;
  • nauwkeurige controle van de reactie op de behandeling.

Bestraling kan in uitzonderlijke situaties nog nodig zijn, bijvoorbeeld bij bepaalde vormen van aantoonbare ziekte in het centrale zenuwstelsel, een terugkeer van de ziekte of in samenhang met een stamceltransplantatie. Het beleid hangt af van het behandelprotocol.
Nederlandse behandelprotocollen zonder routinematige craniale bestraling werden al vanaf het einde van de jaren tachtig onderzocht. Internationaal is preventieve hoofdbestraling daarna steeds verder teruggedrongen.

Is moderne bestraling volledig zonder risico?
Nee. Ook moderne radiotherapie gebruikt ioniserende straling en kan gezond weefsel bereiken.
De huidige technieken kunnen de onnodige dosis vaak sterk verminderen, maar het risico kan niet altijd tot nul worden teruggebracht. 

Vooral bij kinderen blijft iedere stralingsdosis zorgvuldig afgewogen worden tegen het gevaar van de oorspronkelijke ziekte.

Het belangrijkste verschil is dat artsen tegenwoordig:

  • bestraling vaker kunnen vermijden;
  • kleinere gebieden kunnen behandelen;
  • gezonde organen nauwkeuriger kunnen sparen;
  • dosisverdelingen beter kunnen berekenen;
  • patiënten tijdens de bestraling nauwkeuriger kunnen positioneren;
  • langer termijn risico’s nadrukkelijker meewegen.


Wordt een straling geïnduceerd meningeoom altijd kwaadaardig?
Nee. De meeste meningeomen, ook meningeomen na bestraling, zijn niet automatisch kwaadaardig.
Meningeomen worden ingedeeld in drie WHO-graden:

  • WHO-graad 1: meestal langzaam groeiend en goedaardig;
  • WHO-graad 2: atypisch, met een grotere kans op groei of terugkeer;
  • WHO-graad 3: kwaadaardig en biologisch agressiever.


Straling geïnduceerde meningeomen vertonen als groep vaker kenmerken zoals:

  • ontstaan op jongere leeftijd dan gewone meningeomen;
  • meerdere meningeomen tegelijk of na elkaar;
  • een hogere kans op groei;
  • een grotere kans op terugkeer;
  • relatief vaker WHO-graad 2;
  • complexe veranderingen in chromosomen.

Dit betekent niet dat ieder straling geïnduceerd meningeoom agressief wordt. 

De graad moet worden vastgesteld door een patholoog na onderzoek van tumorweefsel.

Kan een goedaardig meningeoom kwaadaardig worden?
Een laaggradig meningeoom kan in zeldzame gevallen veranderen in een tumor met een hogere graad. Dit wordt maligne progressie of maligne transformatie genoemd.
Dit proces is niet hetzelfde als het oorspronkelijke ontstaan van de tumor door bestraling.

Er zijn daarom twee afzonderlijke processen:

1. Een normale hersenvlies cel raakt tijdens de bestraling beschadigd en ontwikkelt tientallen jaren later een nieuw meningeoom.
2. Een bestaand meningeoom verzamelt tijdens verdere groei of na terugkeer aanvullende afwijkingen en ontwikkelt daardoor agressievere kenmerken.

Een straling geïnduceerd meningeoom hoeft niet eerst aantoonbaar graad 1 te zijn geweest. 

Sommige tumoren zijn al WHO-graad 2 wanneer zij voor het eerst worden verwijderd en onderzocht.

Hoe kan een meningeoom een hogere graad ontwikkelen?
Een meningeoom bestaat niet altijd uit volledig identieke cellen. Binnen één tumor kunnen verschillende groepen tumorcellen aanwezig zijn.

Sommige groepen kunnen extra genetische afwijkingen krijgen waardoor zij:

  • sneller delen;
  • minder goed reageren op groei remmende signalen;
  • gemakkelijker omliggend weefsel binnendringen;
  • beter overleven bij zuurstoftekort;
  • minder goed door het afweersysteem worden herkend;
  • na een behandeling opnieuw kunnen uitgroeien.

Wanneer deze agressievere cellen een groeivoordeel krijgen, kunnen zij geleidelijk een groter deel van de tumor gaan vormen. Dit wordt klonale selectie genoemd.

Veranderingen die bij agressievere meningeomen kunnen voorkomen, zijn onder andere:

  • verlies van delen van chromosoom 1;
  • verdere afwijkingen op chromosoom 22;
  • beschadiging van celcyclusremmers;
  • verlies van CDKN2A en CDKN2B;
  • veranderingen in de promotor van het TERT-gen;
  • veranderingen in de regeling van DNA en gen activiteit.


Volgens de WHO-classificatie kunnen bepaalde moleculaire afwijkingen, zoals een TERT-promotormutatie of volledig verlies van CDKN2A/B, reden zijn om een meningeoom als WHO-graad 3 te classificeren.

Terugkeer is niet automatisch kwaadaardige verandering
Een meningeoom kan na een operatie terugkomen zonder dat de WHO-graad is veranderd.

Terugkeer kan bijvoorbeeld optreden doordat:

  • een klein gedeelte van de tumor is achtergebleven;
  • het meningeoom aan een belangrijk bloedvat of een hersenzenuw vastzat;
  • tumorcellen in het aangrenzende hersenvlies zijn achtergebleven;
  • volledige verwijdering te gevaarlijk was;
  • de tumor biologisch actiever was.

Alleen nieuw weefselonderzoek kan vaststellen of een teruggekeerd meningeoom dezelfde graad heeft gehouden of agressiever is geworden.

Maakt een operatie een meningeoom kwaadaardig?
Nee. Een operatie veroorzaakt op zichzelf geen kwaadaardige verandering.
Een tumor die na een operatie terugkomt, kan al vóór de operatie agressievere cel groepen hebben bevat. Deze waren mogelijk nog niet zichtbaar of vormden slechts een klein deel van de tumor.
Ook kan een tumor in de jaren daarna aanvullende veranderingen verzamelen. De operatie is dan niet de oorzaak van de verandering.

Maakt bestraling van een bestaand meningeoom de tumor kwaadaardig?
Bestraling wordt juist gebruikt om de groei van een meningeoom te stoppen of af te remmen. 

Vooral bij een niet volledig verwijderbare tumor, een terugkerend meningeoom of een hogere tumorgraad kan radiotherapie noodzakelijk zijn.
Het is niet correct om te stellen dat een behandelde tumor door de bestraling normaal gesproken kwaadaardig wordt.
Ioniserende straling kan in zeldzame gevallen op zeer lange termijn een nieuwe tumor veroorzaken in gezond weefsel binnen het bestralingsgebied. 

Dat is iets anders dan het kwaadaardig worden van de oorspronkelijk behandelde tumor.

Bij onderzoek naar maligne progressie moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen:

  • doorgroei van dezelfde tumor;
  • terugkeer van achtergebleven tumorcellen;
  • ontwikkeling van een hogere tumorgraad;
  • een volledig nieuwe straling geïnduceerde tumor.


Kan iemand meerdere meningeomen krijgen?
Na vroegere hoofdbestraling kunnen meerdere meningeomen ontstaan. Deze hoeven niet allemaal gelijktijdig zichtbaar te zijn.
Een persoon kan bijvoorbeeld eerst één meningeoom krijgen en jaren later op een andere plaats binnen het vroegere bestralingsgebied een tweede meningeoom ontwikkelen.
Dit kan gebeuren doordat tijdens de oorspronkelijke bestraling meerdere hersenvliescellen afzonderlijk DNA-schade hebben opgelopen. Iedere beschadigde cel kan een eigen ontwikkeling doormaken.
Meerdere meningeomen betekenen daarom niet automatisch dat een meningeoom is uitgezaaid. Meningeomen zaaien maar zelden uit. Vaak gaat het om afzonderlijk ontstane tumoren.

Hoe wordt vastgesteld of een meningeoom agressief is?

Een MRI-scan geeft belangrijke informatie over:

  • de grootte;
  • de plaats;
  • de groeisnelheid;
  • druk op de hersenen;
  • vocht rondom de tumor;
  • mogelijke ingroei in omliggende structuren;
  • aanwezigheid van meerdere tumoren.

Een scan kan aanwijzingen geven voor agressiever gedrag, maar de definitieve tumorgraad kan meestal alleen worden vastgesteld door weefselonderzoek.

De patholoog kijkt onder andere naar:

  • het aantal delende cellen;
  • de vorm van de cellen;
  • afwijkende groei van het weefsel;
  • eventuele ingroei in de hersenen;
  • afgestorven delen binnen de tumor;
  • bepaalde eiwitten;
  • genetische en moleculaire afwijkingen.

Een klein meningeoom kan biologisch actiever zijn dan verwacht. Andersom kan een relatief groot meningeoom nog steeds een langzaam groeiende WHO-graad 1-tumor zijn. 

Grootte en tumorgraad zijn dus niet hetzelfde.

Wat betekent dit voor iemand die rond 1980 als kind is bestraald?
Iemand die als kind op het hoofd is bestraald, heeft niet automatisch een meningeoom en zal dit ook niet automatisch ontwikkelen.
De behandelgeschiedenis blijft echter levenslang relevant. 

Het is verstandig dat de volgende informatie, voor zover beschikbaar, in het medisch dossier staat:

  • de oorspronkelijke diagnose;
  • het jaar van behandeling;
  • de leeftijd tijdens de behandeling;
  • het ziekenhuis en behandelprotocol;
  • het bestraalde gebied;
  • de totale dosis in gray;
  • het aantal bestralingen;
  • andere ontvangen behandelingen;
  • eventuele eerdere scans of late gevolgen.

Mensen die kinderkanker hebben overleefd, kunnen worden gevolgd op een LATER-polikliniek. 

Daar wordt gekeken naar mogelijke late gevolgen van de oorspronkelijke ziekte en behandeling. 

Het Prinses Máxima Centrum benadrukt dat late gevolgen soms pas vele jaren na de behandeling zichtbaar worden.

Wanneer medische beoordeling nodig is
Neem contact op met een arts bij nieuwe of toenemende klachten zoals:

  • aanhoudende of veranderende hoofdpijn;
  • een eerste epileptische aanval;
  • krachtsverlies;
  • een doof of tintelend gevoel;
  • moeite met praten;
  • veranderingen in het gezichtsvermogen;
  • evenwichtsproblemen;
  • duidelijke veranderingen in gedrag of persoonlijkheid;
  • onverklaarde concentratie- of geheugenproblemen;
  • steeds toenemende vermoeidheid in combinatie met neurologische klachten.

Deze klachten betekenen niet automatisch dat er een meningeoom aanwezig is. Ze kunnen veel andere oorzaken hebben. Bij iemand met vroegere hoofdbestraling is het echter belangrijk dat deze behandelgeschiedenis bij de beoordeling wordt meegenomen.

Tot slot
Bestraling van het hoofd in de kindertijd kan tientallen jaren later bijdragen aan het ontstaan van een meningeoom. De bestraling blijft niet in het lichaam achter. Het proces begint met DNA-schade in een gezonde hersenvlies cel die de bestraling heeft overleefd.
Daarna kunnen gedurende vele jaren aanvullende veranderingen ontstaan. Uiteindelijk kan een groep afwijkende cellen uitgroeien tot een zichtbaar meningeoom.

De behandeling rond 1980 was doorgaans minder precies dan moderne radiotherapie. Bij ziekten zoals kinderleukemie werden grotere delen van het hoofd bestraald en was preventieve hoofdbestraling gebruikelijker. Tegenwoordig wordt hoofdbestraling bij ALL meestal vermeden en kan noodzakelijke radiotherapie veel nauwkeuriger worden gepland.

Een straling geïnduceerd meningeoom is niet automatisch kwaadaardig

De meeste meningeomen zijn nog steeds WHO-graad 1. Deze tumoren kunnen als groep echter vaker meervoudig zijn, terugkomen of kenmerken van WHO-graad 2 hebben.
Een goedaardig meningeoom kan in zeldzame gevallen door aanvullende genetische veranderingen een hogere tumorgraad ontwikkelen. 

Dit is geen automatisch verloop en kan alleen betrouwbaar worden vastgesteld door onderzoek van tumorweefsel.

Nederlandse informatie en professionele bronnen

  • Prinses Máxima Centrum – Late gevolgen van kinderkanker

Informatie over lichamelijke en psychische gevolgen die soms pas vele jaren na de behandeling ontstaan.
https://www.prinsesmaximacentrum.nl/survivors/je-late-gevolgen
Prinses Máxima Centrum – Tweede vorm van kanker: hersentumor
Informatie voor mensen die als kind kanker hebben gehad en daardoor een verhoogd risico op een tweede hersentumor kunnen hebben.
https://www.prinsesmaximacentrum.nl/survivors/overzicht-van-mogelijke-late-gevolgen/tweede-vorm-van-kanker-hersentumor

  • Kanker.nl – Risico op een tweede kanker door bestraling

Door deskundigen gecontroleerde uitleg over het kleine maar aanwezige risico op een nieuwe tumor na radiotherapie.
https://www.kanker.nl/soorten-behandelingen/bestraling/gevolgen/het-risico-dat-je-weer-kanker-krijgt-door-bestraling-radiotherapie
Kanker.nl – Gevolgen van bestraling
Informatie over vroege en late gevolgen van radiotherapie voor gezonde weefsels en organen.
https://www.kanker.nl/soorten-behandelingen/bestraling/gevolgen/gevolgen-van-bestraling-radiotherapie

  • UMC Utrecht – Bestraling

Uitleg over hoe radiotherapie cellen beschadigt, hoe een behandelplan wordt opgesteld en waarom de dosis over verschillende behandelingen wordt verdeeld.
https://www.umcutrecht.nl/nl/behandeling/bestraling
Amsterdam UMC – Nederlands DCOG-LATER-onderzoek naar meningeomen
Wetenschappelijk Nederlands onderzoek naar het risico op meningeomen na craniale radiotherapie tijdens de behandeling van kinderkanker.
https://pure.amsterdamumc.nl/en/publications/risk-of-benign-meningioma-after-childhood-cancer-in-the-dcog-late

  • Radboud umc – Meningeoom

Informatie over het ontstaan, onderzoek en de behandeling van meningeomen.
https://www.radboudumc.nl/patientenzorg/aandoeningen/m/meningeoom

  • UMC Utrecht – Meningeoom

Informatie over klachten, diagnostiek, operatie, bestraling en controles.
https://www.umcutrecht.nl/nl/ziekte/meningeoom

  • Kanker.nl – Meningeoom

Door Nederlandse deskundigen gecontroleerde informatie over tumorgraad, behandeling en vooruitzichten.
https://www.kanker.nl/kankersoorten/hersentumoren/andere-soorten-hersentumoren/meningeoom
Aanvullende wetenschappelijke onderbouwing

  • DCOG-LATER-studie – Risk of benign meningioma after childhood cancer

Nederlands cohortonderzoek naar dosis, leeftijd en het risico op een laat meningeoom.
https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC6380414/

  • JAMA Oncology – Pooled analysis of meningioma risk

Internationale analyse van het verband tussen stralingsdosis op jonge leeftijd en het latere meningeoomrisico.
https://jamanetwork.com/journals/jamaoncology/fullarticle/2797265
Nature Communications – Genetische veranderingen bij straling geïnduceerde meningeomen
Onderzoek naar structurele DNA-veranderingen en beschadiging van onder andere het NF2-gen.
https://www.nature.com/articles/s41467-017-00174-7

  • EANO-richtlijn voor meningeomen

Europese professionele richtlijn over diagnostiek, gradering, behandeling en controle van meningeomen.
https://www.eano.eu/publications/eano-guidelines/eano-guideline-on-the-diagnosis-and-management-of-meningiomas/.