Welkom 
 

                                                                                                                 Wanneer thuis wonen niet meer gaat


De meeste mensen willen zo lang mogelijk thuis blijven wonen.
Dat is begrijpelijk. Thuis is niet alleen een woning. Het is de plek waar iemand jarenlang heeft geleefd, liefgehad, gewerkt, gezorgd en herinneringen heeft opgebouwd. De eigen stoel staat op de vertrouwde plaats. De foto’s hangen aan de muur. Iemand kent ieder geluid, iedere kamer en iedere gewoonte. Thuis betekent vrijheid, zelf bepalen wanneer u opstaat, zelf kiezen wat  u eet, zelf beslissen wie er binnenkomt.
Daarom is de gedachte aan een verpleeghuis voor veel ouderen moeilijk. Een verhuizing kan voelen als verlies van zelfstandigheid, privacy en controle. Soms wordt het ervaren alsof anderen besluiten dat het eigen leven niet langer zelf geleid kan worden. Toch kan er een moment komen waarop thuis wonen niet meer veilig of verantwoord is. 
Dat gebeurt meestal niet alleen omdat iemand oud is. Ouderdom op zichzelf is geen reden voor opname. Het gaat om de gevolgen van lichamelijke achteruitgang, dementie, ziekte, kwetsbaarheid of een combinatie daarvan.

De veranderingen beginnen vaak klein
In het begin zijn de signalen meestal niet groot.
De boodschappen worden zwaarder,  traplopen kost meer moeite, een maaltijd koken lukt minder goed, de post blijft wat langer liggen, medicatie wordt een keer vergeten, iemand struikelt vaker,
Een partner of kind neemt steeds meer taken over.

Vaak worden eerst praktische oplossingen gevonden:
een rollator,  een traplift , maaltijden aan huis, thuiszorg,  huishoudelijke hulp, een medicijndispenser, personenalarmering, dagbesteding, hulp van familie of buren. 

Met deze ondersteuning kunnen veel ouderen nog lange tijd thuis blijven wonen. Maar soms worden de problemen groter.

Wanneer losse zorgmomenten niet meer voldoende zijn
Thuiszorg kan veel betekenen, maar thuiszorg is meestal niet onafgebroken aanwezig. Een zorgmedewerker komt op afgesproken tijden. Na het zorgmoment vertrekt die medewerker weer. Tussen de bezoeken door kan iemand uren alleen zijn.

Dat kan onveilig worden wanneer iemand:

  •  regelmatig valt
  •  niet meer zelfstandig kan opstaan
  •  ’s nachts veel hulp nodig heeft
  •  dwaalt of ongezien naar buiten gaat
  •  het gas of elektrische apparaten vergeet uit te zetten
  •  medicatie niet meer veilig gebruikt
  •  onvoldoende eet of drinkt
  •  zichzelf niet meer kan wassen of aankleden
  •  voortdurend onrustig, angstig of verward is
  •  niet meer begrijpt hoe personenalarmering werkt
  •  niet zelfstandig om hulp kan vragen;
  •  meerdere keren per dag onverwacht hulp nodig heeft
  •  zichzelf verwaarloost
  •  de eigen situatie niet meer goed kan overzien. Dan ontstaat de vraag of de zorg thuis nog goed georganiseerd kan worden. Niet alleen praktisch, maar ook dag en nacht.


De belasting van een partner of familie
Vaak probeert een partner, zoon, dochter, broer, zus of andere naaste de zorg zo lang mogelijk op te vangen.
Dat gebeurt meestal uit liefde en loyaliteit.
De mantelzorger doet boodschappen, regelt afspraken, wast kleding, controleert medicatie en komt ’s avonds of ’s nachts kijken.
Langzaam kan de zorg steeds zwaarder worden. De mantelzorger slaapt slechter. Werk en gezin komen onder druk te staan.
Er is voortdurend angst dat er thuis iets gebeurt. De telefoon moet altijd aan blijven. Soms durft een mantelzorger nauwelijks nog weg.
Wanneer de mantelzorg niet meer vol te houden is, kan schuldgevoel ontstaan.
“Ik had beloofd dat je nooit naar een verpleeghuis hoefde.”
“Ik zou toch voor je zorgen?”
“Misschien moet ik gewoon nog wat langer doorgaan.”
Maar erkennen dat de zorg te zwaar is, betekent niet dat iemand heeft gefaald.
Het betekent dat de zorgvraag groter is geworden dan één persoon of één familie nog veilig kan dragen.

Het eerste gesprek over een verpleeghuis
Het gesprek over een verhuizing is vaak beladen.
Een dochter zegt: “Mam, het gaat thuis echt niet meer.”
De moeder hoort misschien: “Jij kunt niets meer.”

Een zoon zegt: “Pap, wij maken ons zorgen over je veiligheid.”
De vader hoort misschien: “Jullie willen van mij af.”

Een partner zegt: “Ik kan de nachten niet meer volhouden.”
De ander hoort: “Ik ben jou tot last geworden.”

De bedoeling en de beleving kunnen ver uit elkaar liggen. Daarom helpt het om niet direct met een besluit te beginnen.
Zeg liever niet: “U moet naar een verpleeghuis.”
Maar: “Wij zien dat bepaalde dingen steeds moeilijker worden. Hoe ervaart u dat zelf?”

Niet: “U kunt niet meer alleen wonen.”
Maar: “Waar voelt u zich nog veilig bij en waar maakt u zich zorgen over?”

Niet: “Wij hebben besloten wat er gaat gebeuren.” 

Maar: “Laten we samen kijken welke hulp nog mogelijk is en wat op langere termijn verstandig is.”


Wat een oudere kan voelen
Een voorstel voor opname kan veel emoties oproepen.

Verdriet, boosheid, angst, schaamte, wantrouwen, ontkenning.


Een oudere kan denken:
 Ik raak mijn huis kwijt,  mijn spullen worden weggehaald, ik mag niets meer zelf beslissen, mijn kinderen vinden mij lastig,
 Ik kom daar nooit meer vandaan, ik word alleen nog als patiënt gezien. ik verlies mijn privacy, ik moet tussen onbekende mensen wonen, dit is het einde van mijn zelfstandigheid.

Soms zegt iemand:

  • “Ik ga liever dood dan naar een verpleeghuis.”

Zo’n uitspraak kan voortkomen uit angst en verlies van controle. Het helpt niet om die angst direct weg te praten.
Vraag liever: “Waar bent u precies bang voor?”
Misschien is iemand vooral bang de partner kwijt te raken, of de hond, of zijn eigen meubels of de vrijheid om zelf naar buiten te gaan.
Pas wanneer duidelijk is waar de angst zit, kan er samen naar oplossingen worden gezocht.


Wanneer familieleden het niet eens zijn

Binnen families kan veel verschil van mening ontstaan. De dochter die iedere dag helpt, ziet hoeveel zorg nodig is,  de zoon die één keer per maand langskomt, ziet vooral dat vader tijdens het bezoek nog een goed gesprek kan voeren. De één vindt een opname noodzakelijk. De ander vindt dat moeder koste wat kost thuis moet blijven. Soms komen oude spanningen opnieuw naar boven.

- Wie heeft altijd het meeste gedaan?  Wie laat het afweten?  Wie mag beslissen?   Wie beheert de financiën?

Het helpt om niet alleen over gevoelens te praten, maar ook over concrete feiten:

  •  Hoe vaak is iemand gevallen?
  •  Hoe vaak wordt medicatie vergeten?
  •  Hoeveel hulp is er ’s nachts nodig?
  •  Kan iemand nog veilig alleen blijven?
  •  Hoeveel uur zorg en toezicht levert de familie?
  •  Welke risico’s zien de huisarts en thuiszorg?
  •  Kan de mantelzorger dit nog maanden of jaren volhouden?

Een huisarts, wijkverpleegkundige, casemanager dementie of onafhankelijke cliëntondersteuner kan helpen het gesprek minder persoonlijk en meer overzichtelijk te maken.

 Wanneer iemand geen kinderen heeft
Niet iedereen heeft kinderen of familie die de zorg kan helpen organiseren. Sommige ouderen hebben wel vrienden, buren, neven, nichten of oud-collega’s. Anderen hebben nauwelijks een netwerk. Wanneer er geen vanzelfsprekende naaste is, is het verstandig om tijdig na te denken over:

  • Een vaste contactpersoon
  • Een vertrouwenspersoon
  • Een levenstestament
  • Een financiële volmacht
  • Vertegenwoordiging bij medische beslissingen
  • Onafhankelijke cliëntondersteuning



professionele bewind voering of mentorschap wanneer dat nodig wordt;

Woonwensen, wensen voor de laatste levensfase.
Zonder kinderen oud worden betekent niet dat iemand alleen hoeft te staan. Het vraagt vaak wel om meer bewuste voorbereiding en professionele ondersteuning.


Wanneer iemand hulp nodig heeft, maar die niet wil
Een oudere kan heel goed weten dat hulp nodig is en toch weigeren.
Dat lijkt tegenstrijdig, maar is menselijk. Hulp toelaten kan voelen als het toegeven van verlies.
Een dochter zegt: “Ik wil de boodschappen voor je doen.”
De ouder hoort: “Jij kunt dit zelf niet meer.”


Een zorgverlener zegt: “Wij komen helpen met douchen.”
De oudere voelt: “Een vreemde komt aan mijn lichaam.”


Een zoon zegt: “Ik neem de administratie wel over.”
De vader denkt: “Mijn geld en mijn leven zijn niet meer van mij.”
Daarom werkt hulp meestal beter wanneer iemand keuzes houdt.


Bijvoorbeeld:

  • “Wilt u liever ’s morgens of ’s avonds hulp?”
  • “Wat wilt u zelf blijven doen?”
  • “Welke hulp zou u eerst één keer willen proberen?”
  • “Wie mag u helpen en wie liever niet?”
  • “Waar wilt u zelf de controle over houden?”

Goede ondersteuning neemt niet automatisch alles over. Zij vult aan waar iemand het zelf niet meer redt.

Eigen regie en veiligheid
Zelfbeschikking blijft belangrijk, ook wanneer iemand ouder of kwetsbaar wordt.
Een oudere die de gevolgen van een beslissing kan overzien, mag in beginsel zelf keuzes maken. Ook wanneer familie die keuze onverstandig vindt.
Maar wanneer iemand door dementie of ernstige cognitieve problemen niet meer begrijpt welke risico’s bestaan, wordt de situatie ingewikkelder.
Familie kan een opname niet zomaar afdwingen. Als iemand zich verzet en er ernstig gevaar of ernstig nadeel dreigt, moet een formele wettelijke procedure worden gevolgd. Dit wordt beoordeeld door bevoegde professionals en kan niet alleen op basis van de wens van familie plaatsvinden.


Welke hulp wordt eerst bekeken?
Voordat een permanente opname wordt aangevraagd, wordt meestal onderzocht welke ondersteuning thuis nog mogelijk is.
Dat kan zijn: Huishoudelijke hulp,  woningaanpassingen, begeleiding,   dagbesteding, 
hulpmiddelen wijkverpleging, persoonlijke verzorging,  maaltijden,  respijtzorg, tijdelijke opvang , ondersteuning van mantelzorgers,  een volledig of modulair zorgpakket thuis. Soms blijkt dat thuis wonen met extra hulp nog enige tijd mogelijk is. Soms blijkt dat de behoefte aan toezicht, nabijheid en zorg zo groot is geworden dat een verpleeghuis beter aansluit. Geen gemakkelijke keuze

De overstap naar een verpleeghuis is zelden alleen een praktische beslissing.

Het is ook een afscheid.

  • Van een woning.
  • Van dagelijkse gewoonten.
  • Van een deel van de zelfstandigheid.
  • Soms ook van een leven dat iemand met een partner heeft opgebouwd.


Een opname kan noodzakelijk zijn en toch verdriet doen. De familie kan weten dat het thuis niet meer gaat en zich toch schuldig voelen.
De oudere kan begrijpen dat meer zorg nodig is en zich toch verzetten. Die gevoelens hoeven niet te worden opgelost voordat een beslissing kan worden genomen.
Ze mogen naast elkaar bestaan.
Het belangrijkste is dat er niet alleen wordt gekeken naar wat veilig en praktisch is, maar ook naar wat iemand nodig heeft om zich gezien, gehoord en gerespecteerd te voelen.